Op de Maat van den 118. Psalm.
Of als men een Vaars in tweën splyt, op de Wyze van de 10 Geboden.
I.
My lust, ô Heer, met blyde klanken,
Uit een oprecht en dankbaar hart,
U, voor uw goedheid, weêr te danken,
Die buiten schade, ramp en smart,
My veilig hebt in huis doen komen;
Nu ik myn opgelegde werk,
Met lust en vreugd, heb waargenomen,
In 't groot gewoel van 't aardsche perk.
II.
Laat my den verd'ren tyd besteeden
In vreede, matigheid en deugd,
Erkennend' uw Barmhertig heeden,
Waar mee Gy myne ziel verheugd;
Laat nu geen kwaad myn rust verstooren,
Op dat ik zeeker zy in huis,
In myn vertrek daar toe gekooren,
En afgescheiden van 't gedruis.
III.
Laat my in eenzaamheid gezeeten,
Uw Wet, met aandagt, gade slaan;
En werken om een rein geweeten
Voor U, dat 's 't heilspoor op te gaan,
Laat my, met een gerust genoegen,
In alles, wat uw milde hand
My, hier op aarde, toe zal voegen,
Vernoegd zyn in een' blyden stand.
IV.
Dan zal ik al het werk bereiden,
Tot myn beroep voor d'andren dag:
Hier op uw Zegening verbeiden,
Met ootmoed en met diep ontzag;
Dat al myn werk, myn gantsche leeven,
Gericht zy naar uw Heilig Woord,
Om U alleen daar van te geeven
Den lof en eer, die U behoort.