Op de Wyze van: O Heilig Zalig Bethlehem! I.
Op, op, de liefelyke glans Der zon met haar vergulde straalen, Ryst aan den hoogen Hemeltrans; Dies moet ik Godt myn plicht betaalen.
II.
Het snel gevogelt' kwinkeleert, Het vliegt en huppelt op de boomen Van blyschap, daar het niets ontbeert, Bevrydt van kommer, zorg, en schroomen.
III.
Zou ik dan by den dageraad, Op 't logge bed, nog langer ronken, Daar alles heerlyk voor my staat, Tot eer van Godt, in kragt te pronken?
IV.
O neen. Ik treed' ter rustplaats uit, Genood door d'aangenaame klanken, En 't zielverrukkende geluid, Om Godt, het Eeuwig licht, te danken.
V.
Die my bevrydt heeft, deezen nagt, Voor ramp, voor schade, ziekt' en sterven; Daar andren schielyk, onverwagt Gestorven, 't lieve daglicht derven.
VI.
Daar legt het duist're nagtgewaad. De daglivrei weêr aangetoogen; Terwyl de gulde zon opgaat, En alles opent voor onz' oogen.
VII.
Maar eerst zal ik met hart en mond, Myn Godt voor al zyn goedheid looven, En wagten op dien goeden grond Zyn zeegen op myn werk van booven.
VIII.
O Godt, die my het leeven schenkt, En over my uw zon laat ryzen; Die my uit blyschaps beeken drenkt, Bereid my om uw Naam te pryzen,
IX.
Laat 's leevens ligt, uw goeden Geest, Myn duister hart en brein verligten, Dat Gy moogt zyn van my gevreest, En ik mag mynen pligt verrigten.
X.
Ontlast my van het duister kleedt, Het schandig kleed der vuile zonden. Maak my tot uwen dienst gereed, Regtveerdig my om Christus wonden.
XI.
Bekleed my met het rein cieraad, Het Bruilofskleed van myn' Beminden, Myn' Heiland, die steeds voor U staat, In wien alleen ik troost kan vinden.
XII.
Zo zal ik, wel vernoegt en bly, Myn arbeid, in uw' vreeds, beginnen, Wanneer uw Geest steeds blyft by my, En stiert myn gangen en myn zinnen.
XIII.
Tot ik voleind heb 's leevens loop, En na myn sterfuur opgenoomen Mag worden, daar myn lust en hoop Zig vestigt, om by U te koomen.
Cookies on Poetry Cove