Skip to content
1715

Lusthof van Christelyke dank- en beedezangen

Daniël Willink

Op de Wyze. Is liefde zoet lyden. I.

ô Heere, wiens oogen De harten doorzien, Wiens krachtig vermoogen, Doet alles geschiên; Die alle de paden Des menschen beschouwt, Voor wien men geen daaden Verborgen hier houdt: Leid my op de wegen Langs 't Hemelsche spoor, Naar Sion geleegen, De Waereld hier door.

II.

Op dat ik myn gangen, Gedachten, beleid, Myn pooging, belangen, Tot deugden bereidt, Rigt naar uw geboden, Zo heilzaam en klaar, De wellust ontvlooden Met al haar gevaar; Wyl ik van myn leeven, Myn wandel en doen, Moet reekenschap geeven, Zo wil my behoên.

III.

Gy kent Heer de loosheid Der Waereld, haar schyn, Ons vleesch en zyn broosheid, Waar door wy haast zyn Verlokt tot de zonden, Dat kankerend kwaad, Door listen, door vonden, Verlokkend gelaat, Met konsten, met greepen, Die ook menigwerf Den Jongeling sleepen, Naar 't eeuwig verderf.

IV.

Schenk my dan hier teegen Een tegengift, Heer, Om op uwe wegen Te staan, tot uw een, Op dat hun vermoogen, Hun list en geweldt, Hun schoonschynend poogen, My nimmermeer velt; Maar dat ik door 't stryden, Onder de banier Van die U belyden, Verkryg den Laurier.

V.

Laat dus zyn myn wandel, In Christus, met vreugd, In Godtsvrugt, een handel, In zuivere Deugd; Om daar door te stichten Die nevens my gaan, En hen te verpligten, Dit spoor in te slaan. Terwyl Gy myn werken Ook zegenen zult, En in my versterken 'T Geloof en gedult.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lusthof van Christelyke dank- en beedezangen · Daniël Willink · Poetry Cove