Stemme: Uit mynes hertsen gronde.
I.
ô Heilbron der Genade
Laat uw voorzienigheid,
My leiden vroeg en spade,
Den weg my voorbereid:
Op dat ik tot uw eer
Bevordre myne wegen,
En dat ik U daar tegen,
Vergelde dank en eer.
II.
Behoed my voor die menschen
Die in vernisten schyn,
Op reis my 't goede wenschen
Doch die verraders zyn;
Of zulke wier gesprek,
Door vuil' ontuchtigheeden,
Bederven goede zeeden,
Een jammerlyk gebrek.
III.
Ey laat myn doen gelukken
Het oogmerk dezer reis,
Geen ongeval my drukken,
Myn weg zy naar uw eisch.
Bescherm terwyl myn huis,
Naar uw goed welbehaagen,
Voor rampen en voor slagen,
Voor schade, brand of kruis.
IV.
Leer my uit uwe werken,
Waar ik ooit zet myn voet,
Uw Magt en Goedheid merken,
Tot troost voor myn gemoed:
Leer my uw sterke hand
Uit alles regt beschouwen
Om vast op U te bouwen,
Met een verligt verstand.
V.
Om U in alles t'eeren,
Want Gy zyt over al,
Waar ik mogt gaan of keeren
Langs bosschen, berg en dal.
Niets kan zich, voor uw oog,
In 't duistere verschuilen,
In hoolen of in kuilen,
Die 't al ziet van om hoog.
VI.
Maar wyl eens Christens leeven
Is als een reis op aard,
Dan hier, dan gintsch gedreeven,
En eindlyk Hemelwaart,
Zo laat uw goeden Geest,
My stieren op uw wegen,
En maaken gants geneegen
Tot Deugden onbevreest.
VII.
Om namaals eens t'ontfangen,
Daar ik met vreugd op hoop,
Die volle zielsbelangen
Op 't einde van myn' loop:
Om U Goeddoende Heer,
In 't Vaderland hier boven
Te leeven en te looven,
Uw heerlykheid tot eer.