III.
Gy zalft myn hoofd met zielverkwikbren balsem,
Myn beeker vloeit van vreugdenwyn voor alsem,
Uw liefde maakt myn matte ziel doordronken
Met uwen kelk des heyls voor my geschonken:
Uw trouw zal aan myn ziel voortaan beklyven;
En ik in 't huis van U voor eeuwig blyven.
Gy maakt myn hooft vet met Oly, myn beker is overvloejende.
6. Immers zullen my het goede, ende de weldadigheid volgen alle de'dagen myns levens; ende ik zal in het Huis des HEEREN blyven in lengte van dagen.