II.
Al ging ik ook in naare doodsvaleyen,
Geen vrees zou my van mynen Harder scheyên.
Gy zyt by my, uw staf, uw hand zo goedig
Stut myne ziel, en troost my overvloedig:
Uw tafel rigt Gy voor myn oog vol spyze,
Ten spyt des doods, uw grooten Naam ten pryze.
4. Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik en zoude geen kwaad vreezen; want Gy zyt met my; uw stok, ende uw staf, die vertroosten my.
5. Gy rigt de Tafel toe voor myn aangezigte, tegen over myne tegenpartyders.