II.
Ik zwyge niet, maar schreeuw myn misdaad uit,
Het groot getal van alle myne zonden,
My wel bekent en steeds voor my gevonden,
Wier groot gewigt my uitperst dit geluit:
Voor U alleen heb ik, myn Godt, misdaan,
Myn schulden staan voor uw doorzoekend' oogen;
Dies zoo Gy met my in 't gerigt wilt gaan.
Blyft Gy steeds rein, daar toe door 't regt bewoogen.
5. Want ik kenne myne overtreedingen, ende myne zonde is steeds voor my.
6, Tegen U, U alleen heb ik gezondigt, en gedaan dat kwaad is in uwe oogen; op dat Gy regtvaardig zyt in Uw spreeken, ende rein zyt in uw richten.