V.
Gy hebt my uit den angst des doods geredt,
En in myn oog gestelpt de traanenbeeken;
Myn voet voor val bewaart; dies zal ik spreeken,
Uw lof, en U steeds vreezen naar uw Wet.
8. Want gy (HEERE) hebt myne ziele geredt van den dood, myne oogen van traanen, mynen voet van aanstoot.
9. Ik zal Wandelen voor 't aangezigte des HEEREN, in de landen der levendigen.
PAUSE.