VIII.
Daar Hy, aan 's Vaders rechterhand
Gezeeten, d'Eeuwge Vierschaar spant,
En pleit steeds voor de Zynen,
Van waar Hy op den jongsten dag
Neêrdalen zal, om met gezag
Als Rigter te verschynen:
Slaa van,
Hier dan
Toch uw ooge,
Naar om hooge,
Daar uw schat is,
Dan treed gy nooit 't rechte pad mis.