VIII.
Myn mond, die als geslooten door het leed
Der zonden is, zult Gy op nieuw ontsluiten,
Om uwen lof, den roem uw 's Naams, steeds t'uiten,
Voor al het goed aan myne ziel besteedt.
Gy neemt daar in geen lust, dat myne hand
U een aantal Brandoffren zou bereiden,
En duizenden van beesten, door den brand
Verteert, haar vlam van uwen altaar spreiden.
17. HEERE, open myne lippen: zo zal myn mond uwen lof verkondigen.
18. Want Gy en hebt geen lust tot offerhanden, anders zoude ikze geeven: in brandofferen hebt Gy geen behaagen.