Skip to content
1715

Lusthof van Christelyke dank- en beedezangen

Daniël Willink

Toon: Roozemondt. I.

Lieffelyke Zomerdagen, Wat schenkt gy den mensch al vreugd, Zoet genoegen, welbehagen, Als hy op het spoor der Deugd Wandelt, en wel gaade slaat Wat hem hier ten dienste staat.

II.

Ziet de gulde Zonnestraalen, Lieflyk in den dageraad, Met haar glans ons vroeg onthaalen, Als de Zon haar pad opgaat, Op dat wy by 't koestrend licht, Zouden vordren onzen plicht.

III.

Ziet de hooggekruinde boomen Met hun groene bladren staan, Aan de klaare waterstroomen, Weelig en met vrugt belaên, Die de Herfsttyd, ryp en goed, Levren zal in overvloed.

IV.

Dus zal ook de Vroome bloeyen, Die Godt hartlyk dient en vreest: 's Heeren Geest zal hem besproeyen, En verkwikken zynen geest, Dat hy vrolyk vrugten draagt En dus Godt en mensch behaagt.

V.

Ziet de Schaapen weelig weiden, Daar de Leeuwrik zingt en fluit, Als zy zich in 't veld verspreiden Deelende hun voedzel uit, Daar de Harder hun bewaakt Dat hen ramp noch onheil naakt.

VI.

Dus zal ook die groote Heilandt, Met zyn Evangelystaf, Ons in 't geestelyke weyland Leiden van de Waereld af, En ons hoeden voor 't verderf, Ja bereiden 's Hemels erf.

VII.

Ziet de zwaare logge koeyen, Graazend' in het klavergras, Glad en tierig, lustig groeyen Van het malsche veldgewas; Daar zy overvloedig melk Leveren, tot spys voor elk.

VIII.

Zou een Christen minder weezen, Dan dit redenlooze Vee? Neen, in deugden uitgeleezen, Deelt hy geestlyk voedsel meê, Als hy uit Godts Heilig Woord Brengt de jeugd haar spyze voort.

IX.

Zou de schoone weelig', akker Die het vroeggezaayde zaad, Ryklyk opgeeft en ook wakker Vrugt draagt in een overmaat, Beeter zyn dan 's menschen hert; Daar Godts Woord gezaait in werdt.

X.

Of zal nu de grond der Aarde Die haar kruiden, blad en bloem, Leevert van veel nut en waarde, Hier, den Hemel tot meer roem, Toonen meerder dankbaarheid Dan de mensch, zo schoon bereid?

XI.

Neen, Godt heeft verstand gegeeven En de Reeden aan den mensch, Om hier niet onnut te leeven, Maar godtvrugtig en naar wensch, Dankbaar aan zyn Godt, verpligt Voor al 't goed en 's leevensligt.

XII.

Lei my dan, o groote Herder, Op het heilig deugdenspoor, Dat ik, langs hoe meer en verder, Leen aan U myn hart en oor; Laat myn dankbaarheid haar vrugt Draagen tot myn zielsgenucht.

XIII.

Tot dat Gy my daar zult voeren, Daar het altyd zomer is; Daar geen vyand meer zal loeren Op myn schaad' of ergernis, Daar geen tyd de vrugten rooft, En men U voor eeuwig looft.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lusthof van Christelyke dank- en beedezangen · Daniël Willink · Poetry Cove