IV.
Op dat wy als uw Kind'ren, hier,
Van 't zondig ydel-aards-gezwier
Geheelyk afgetoogen,
In Godtsvrugt leeven hier op aard,
Zo grooten gunst en voorregt waard,
En wand'len voor uw' oogen;
In dankbaarheid voor 't geestlyk goed,
Oprecht en zuiver van gemoed,
Als nieugeboore Kind'ren;
Tot dat wy, uit dit aardsche perk
Gevoert, U loven boven 't zwerk,
Daar ons geen leed zal hind'ren.