II.
Laat uwen Geest my meer en meer verlichten,
In kennis, en door heilig' oeff'ning stichten,
Doen wandlen op het zielbehoudend Padt,
Waar op uw Woord my als een licht zal schynen,
Daar valsche leer en leugens voor verdwynen,
Hoe loos verdigt en listiglyk bevat.