IV.
Schenk my dan hier teegen
Een tegengift, Heer,
Om op uwe wegen
Te staan, tot uw een,
Op dat hun vermoogen,
Hun list en geweldt,
Hun schoonschynend poogen,
My nimmermeer velt;
Maar dat ik door 't stryden,
Onder de banier
Van die U belyden,
Verkryg den Laurier.