V.
Verberg voor my uw vriendlyk aanschyn niet,
Om 't overgroot getal van myn misdaden,
Waar meed' ik, tot myn smarte, ben beladen.
Delg uit al 't kwaad zoo dwaas door my geschiedt.
Herschep in my een suiver hart, ô Godt,
Dat rein werdt voor uw heilig oog bevonden;
Vernieuw myn geest, door uwen Geest, om tot
Bekeeringe te komen van myn zonden.
11. Verberg uw aangezigte van myne Sonden, ende delg uit alle myne ongerechtigheeden.
12. Schep my een rein herte, ô Godt, ende vernieuw in het binnenste van my eenen vasten geest.