VI.
O Jooden, ongeloovig Volk,
Ziet hier Godts Zoon, des Hemels Tolk,
Met glans ten Hemel vaaren,
Geen duivel, dood, geen helsch geweld,
Geen Krygswagt aan zyn graf gestelt,
Kon dezen Held bewaaren.
Wiens kracht,
En magt,
Heeft verslonden,
Helsche vonden;
En verstooven,
Ryzend', in triomf naar boven.