V.
Weest niet gelyk een Paard of Ezel, Dieren
Die onvernuftig door hunn' driften zwieren,
Wier Muilen men met toomen breidlen moet,
En prikklen hen ter vordring van hun spoed;
Wie Godt niet vreest ontfangt ontelbre smarten,
Gelukkig zyn, daar tegen, al die harten
Die op den Heer vertrouwen in den nood,
Zyn Goedheid zal z' omringen in den dood.
9. Weest niet gelyk een Paerd, gelyk een Muil-Ezel die geen verstand heeft, welkers Muyl men breidelt met toom en gebit, op dat het tot U niet genake.
10. De Godloose heeft veele smerten; maar die op den HEERE vertrouwt dien zal de goedertierenheid omringen.