III.
Die uwen mond verzadigt met het goede,
Die u met spys des Hemels vrolyk voedde,
En jeugdig, als een jongen Arent, maakt.
De Heere pleegt gerechtigheid en oordeel,
Het kwaad doet Hy gedyën zelfs tot voordeel,
En reddet hem, die in verdrukking raakt.
5. Die uwen mond verzadigt met het goede: uwe jeugt vernieuw als eenes Arends.
6. De HEERE doet geregtigheid ende gerigten, allen den geenen die onderdrukt worden.