Stemme, Psalm 36 en 68. I.
O Vader, die uw Hemeltroon, Zo onbegryplyk, heerlyk, schoon! Gevest hebt in den Hemel, Van waar uw Majesteit en kracht, Uw wysheid, goedheid, oppermagt, Heerscht over al 't geweemel; Van waar Gy elk uw zegen zendt, Die zich boetvaardig derwaards wendt In smeeken en gebeeden: En ziet op uwe kind'ren neêr, Die in 't Geloof in Christus, Heer, Hier voor uw aanschyn treeden.
II.
Gy hebt, uw beeld in ons herstelt, Ons van den vloek, des doods geweld, En last der snoode zonden, Uit enkle gunst, door 't heilzaam bloed Het duur rantzoen uws Zoons, zo goed En Vaderlyk ontbonden: Gy schenkt ons ook uw goeden Geest Die ons in Christus, onbevreest Doet tot uw heiltroon keeren: Van waar de ziel 't geen zy begeert Ten leven, en dat haar ontbeert, U afsmeekt, Heer der Heeren.
III.
Een regt 't geen Christus door zyn' dood, En 't lyden van zyn bangen nood, Van U, ons heeft verkreegen; Waar van uw Geest ook, door zyn licht, In ons een vast vertrouwen sticht, Daar 't al aan is geleegen; Uw Geest die ons het hart ontsluit, En zelfs in ons het smeeken uit, O Eeuwig Hemelsch Vader! Verzeeker' ons nu meer en meer Dat wy uw Kind'ren zyn, ô Heer! Bevestig dit toch nader.
IV.
Op dat wy als uw Kind'ren, hier, Van 't zondig ydel-aards-gezwier Geheelyk afgetoogen, In Godtsvrugt leeven hier op aard, Zo grooten gunst en voorregt waard, En wand'len voor uw' oogen;
In dankbaarheid voor 't geestlyk goed, Oprecht en zuiver van gemoed, Als nieugeboore Kind'ren; Tot dat wy, uit dit aardsche perk Gevoert, U loven boven 't zwerk, Daar ons geen leed zal hind'ren.
Cookies on Poetry Cove