IV.
Zie de boomen in hun perk,
Groot' en kleene, cierlyk pryken,
Die men mach met recht gelyken
By Godts uitverkooren' Kerk,
Daar men Eiken, daar men Ceed'ren,
Daar men plant en spruiten vindt,
Zo wel kragtigen, als teed'ren,
Elk nochtans des Heeren Kind.