II.
Want de waereld met haar goed,
Haare Minnaars die gerustheid,
Noch die vreedzaame meêwustheid,
Nimmer vrolyk smaken doet,
Wyl zy maar onzeekerheeden,
Ja een los vergangbaar goed,
Deelt, dat wel eens bly doet treeden,
Maar ook haast weer treuren doet.