XI.
22. De Steen [dien] de Bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. De Steen die eerst veragt in d'oogen
Der Bouwlieden van Siön scheen,
Is nu verheerlikt in vermoogen,
Een Grondslag en een Geevelsteen;
Dit wist Godts Hand dus uit te werken,
In weerwil van 't verhard gebroed,
Een wonder voor die geen die merken,
Wat Godt aan zyn Gezalfden doet.23. Dit is van den HEERE geschied, [ende] het is wonderlyk in onze oogen.