VI.
Verwerp my niet van voor uw aangezigt,
En laat my niet in troosteloosheid leven,
Onttrek my niet den Geest, aan my gegeeven
Ten onderpand, en tot een vrolyk licht;
Laat weêr de vreugd myns heils in ryke maat,
Als voor myn val der zond', in 't hart verryzen,
Op dat ik U, in een vernieuwden staat,
Vrymoedig mag voor uw genade prysen.
13. En verwerp my niet van Uw' aangezigte, ende en neemt uwen Heiligen Geest niet van my.
14. Geef my weeder de vreugde uwes Heils: ende de Vrymoedige Geest ondersteune my.