VI.
10. Ik zal zeggen tot Godt, myne Steenrotsze, waarom vergeet Gy my? waarom gae ik in het zwart, van weegen des Vyands onderdrukkinge? Ik zal tot myn Rotssteen zeggen,
Heer, waarom vergeet Gy my?
Zal myn Vyand my neêr leggen
Door verdrukking? stae my by!
't Is een dootsteek in myn hart,
Al myn beenderen tot smart,
Als hy daagliks, trots verheeven,
Zegt, Waar is uw Godt gebleeven?11. Met eene doodsteeke in myne beenderen hoonen my myne wederpartyders: als zy den gantschen dag tot my zeggen, waar is Uw Godt?