II.
Ik zal eerbiedig myn gezigt
Slaan op dat aldergrootst gewigt
Van uwe menschenliefde,
Een liefde die zo grondloos is
En strekt tot ons behoudenis,
Ach dat zy my meer griefde!
Ik zal my schikken naar uw eisch,
My voor U buigen in 't paleis
Van uwe Heerlykheeden;
Geef my daar toe 't vereischt verstand,
Ja lei my derwaarts door uw hand,
Dan zal ik veilig treeden.