III.
Maar als ik U myn' ongeregtigheeden,
Heb ongeveinst, en hartelyk, beleeden,
En spraak ik zal tot Godt in ootmoed gaan,
Vergaaft Gy al myn schendig' euveldaân,
Hierom zal U een yder Heylge smeeken,
Ter regter tyd, om hulp voor zyn gebreeken,
Zo dat een zee van ramp en ongeval,
Hoe zeer zy woed, hem niet verswelgen zal.
5. Myne zonde maakte ik U bekent ende myne ongerechtigheid bedekte ik niet: Ik zeide, Ik zal belydenîsse van myne overtredingen doen voor den HEERE;; ende Gy vergaaft de ongeregtigheid myner zonden. Sela!
6. Hierom zal U een yder heilige aanbidden in vindens tyd; ja in een overloop van groote waateren sullen zy hem niet aanraaken.
PAUSE.