II.
Ach! schenk ons, ons bescheiden deel.
De mensch, o Godt! behoeft niet veel,
Als Gy hem geeft vernoegen:
Dat wy de zorg van nu voortaan
Alleen op uwe voorzorg slaan,
Gy zult het toch wel voegen;
Schenk ons maar naarstigheid en vlyt
In ons beroep, dat wy den tyd
Godvrugtiglyk besteeden;
Ach doe ons, wars van ledigheid,
Die menich ten verderve leid,
Gerust ons perk betreeden.