Toon Psalm 100. 131 en 142. Of Christe die du bist dag en ligt. I.
o Vader! die ons door uw kragt Hebt uit den vloek en Satans magt Getrokken, en door uwen Zoon Ons stelt voor uw Genadetroon;
II.
Gy weet en kent al ons bestaan, Hoe wy hier noch zo vast niet gaan Op 't pad der deugden, of 't geweld Is noch op ons verderf gestelt.
III.
De Satan loert gelyk een leeuw, Die helsche Vorst der duister' eeuw, En jaagt met al zyn listig werk Tot afbreuk van uw waare Kerk.
IV.
De Waereld wiens vernist gelaat Bedriegelyk is, wederstaat Den menschen, yder oogenblik, En spant met list haar valschen strik.
V.
Het vleesch, door lust op lust gevoedt, Bestrydt den geestelyken moed, Wil steeds het aardsche pad inslaan, En troont ons van des levensbaan.
VI.
Bewaar ons voor dat snood gespuis, Hou onze zielen rein en kuisch, Sterk ons Geloove door uw Geest, Maak ons in Christus onbevreest.
VII.
Geef dat wy nooit in deezen stryd Bezwyken, maar dat onze vlyt, Gesterkt door uwe kracht alleen, Al dit gebroedsel mag vertreên.
VIII.
Schenk ons daar toe een waakend hart Met loutre Godtsvrucht, die ontwart Uit 's Waerelds zorg is, en 't Gebed In Geest en Waarheid, naar uw Wet.
IX.
Bewaar uw Kerk ook voor den list Van Duivel en den Antichrist, Toon dat uw Zoon al hun geweld Verplettert heeft en perk gestelt.
X.
Verhoor ons Heere tot een blyk Dat U alleen het Koninkryk, De kragt en d'eer en Heerlykheid, Van Eeuwigheid is toebereidt.
XI.
Op dat uw Heilge Naam, ô Heer! Uw nooit volpreezen lof en eer, Verbreidt zy, zuiver en oprecht, Waar op myn ziel' ook Amen zegt.
Cookies on Poetry Cove