Skip to content
1639

Roseliins oochies, ontleedt

Daniel Joncktys

Roseliins oochies. I.

DEn Hemel loech, het aerdrijck vvas verheugd, En liet uyt haer bedaude kluytten Groeysame spranten spruytten: Den zoellen Zephyr blies een ongemeene jeugd In kruyd en blaren, En dé vergaren Veel sachte violetten, Die d'aerd alom besetten, Doe Roseliin van hare lippen Den eersten adem-tocht liet glippen. Doe liet den Hemel uyt syn Zalen Den Rey der Gunst-godinnen dalen; Om op haer hoofd vol-op te laten regenen, Den suyv'ren dauvv van hare duyrste zegenen. De Susters die't Geval bestuyren Besloten, dat haer komend' uyren Geen ongeval sou komen aen:

En dat haer's levens draet niet t' onty sou vergaen; Maer een juyst jaren-tal verduyren. Vrouvv Iuno heeft dêes gaven toe-gebracht: Den oorspronck uyt een eerelijck geslacht: Vernoeging in des rijckdoms middel-maet; En een gevvenschten bruylofs-staet. De Minne-moeder loech Soo als sy 't Kind op hare armen droeg, En sprack: In vvel-gevormde leden Sult gy de eerste plaets bekleeden: De randen van u een en ander Oog Sal mijnen Soon gebruycken voor syn boog; De lodderijge lonckjes Die uyt haer krystallijn noch sullen vlietten, Dat zijn de Minne-vonckjes, En Pijltjes, vvaer hy sal de VVereld mé beschietten. Minerva heeft een kloeck verstand In haer uytmuntend breyn geplant; En haren rosen mond besproeyt Met 't gêender uyt de kruyck van Ganimedes vloeyt. Diana, siende datter niets ontbrack, Waer mé sy 't Kind beschencken mochte, sprack: Ick gêef den Naem. V naem sy Roseliin; Die noch een Roos sult van de VVereld zijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Roseliins oochies, ontleedt · Daniel Joncktys · Poetry Cove