Skip to content
1695

Tweede deel der mengelzangen

Cornelis Sweerts

Zielzuchten van een Boetvaardige.

1.

WAnneer ik overweeg Mijn zwakheên en elendigheden, Hoe dikwils heb ik overtreden! Hoe werd ik t'elkens noch bestreden, En schijn van alle deugden leeg. Ik ben een worm helaas! van stof en aard, En zulk een redelijcke ziel onwaard, Als Godt my heeft gegeven, Om heiliglijk te leeven.

2.

Mijn God! wat is de mensch! Dat gy aan hem noch wilt gedenken, En uwe zegeningen schenken; Ja hem in uwe goetheid drenken, En geven sijne wil en wensch. Ondankbaar hert, 't is niet genoeg dat goed, Dat u zoo doende niet als quaet en doet, Slechs van van uw God t'ontfangen, En noch te gaen die gangen.

3.

O onbedachtzaamheid Wat doet gy ons niet dikwils zuchten, Die eertijds deugd en reên deed vluchten: Wat baart de zonde al bittre vruchten Wanneer de ziel van 't lichaem scheid. De naberouw en 't knagend hertenleet Die zijn de beste: maar ô God ik weet Dat die uw aanschijn derven Die in de zonde sterven.

4.

Het goede dat ik wil, Dat doe ik niet, maar quaade daaden, Die ik niet wil, mijn ziel verraden: Dies wandel ik verkeerde paden, En voer in my steeds een verschil: Een twist, die noit te recht geslecht en word, Zo lang mijn zwakheid my tot quaad doen pord. 't Gebed en wijze zinnen, Die broosheid overwinnen.

5.

Schep gy ô God in my Een reine ziel van alle zonden Wel eer begaan, bevryd bevonden, En laat ik staâg uw lof verkonden: Dat mijn gewisse zuiver zy: Dat ik voortaan mag leeven na uw woord. In Jesus naam ga ik in 't goed doen voort, En wil voortaen gaan streeven, Na een geheiligt leeven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.