Hoe verder, Hoe nader.
Als sy ô Minnaar u gestaag door 't weigren plaagt.
Wil sy niet weten dat haar uwe min behaagt.
1.
GY vlied voor my mijn Engelin, Als of ick u niet kon behagen, Daar ik de smert van mé moet draagen: Of zijn dit kunsjes van de Min, Zo martel my, ick geef my over, Doet alles met my wat gy wilt; Als ick slechs eens uw hert verover, Zijn al de stormen van mijn pijn gestilt.
2.
Hoe meer dat gy ook voor my vlucht; Hoe ver gy schijnt van my te wezen; Hoe zeer ick strooi, niet zonder vreezen, Mijn klachten heen in d'ydle lucht. Gy lacht met my en met mijn lijden, En acht geen liefde, of zoete min: Die van weerzijden baart verblijden, Zo dra sy sluipt in onze herten in.
3.
Ay laat mijn hert, mijn Schoone, uw hert Met uw volkomen wil bezitten, En lescht de gloed die 't zal verhitten, Zo lang 't van u gepijnigt werd. Amechte ziel, hoe legt gy neder, En zoekt verkoeling by een Bron! Het ga zo 't wil, gy wenscht u weder Te bakren in de straalen van uw Zon.
4.
Maar 't is de Bron van uw geluk; Want ziet u Zons beminde straalen, Zelf in die vloed verkoeling haalen: Zy zoekt u zelf die legt vol druk: Zy zal wel haast u smert verzachten: Haar weigring is op 't hoogst, en sy Is nader dan gy 't zelf kunt achten, Indien gy wacht sy komt u zelver by.
5.
O zoete hoop! ô vleyery! Die my gelukkig maakt door 't denken: Ik zie mijn Zon schijnt my te wenken; O lieflijk lijden dat ik ly! 'k Zie door 't gesmolte glas klaar straalen. Hier schijnt zy koel en ginter warm, En valt terwijl sy neer komt daalen, Verwonnen in myn uitgestrekten arm.
Cookies on Poetry Cove