Wel te minnen,, Wel te paren,
Kan de zinnen,, Vreugde baren.
1.
Gelukkig wiens zinnen,
Om wel te beminnen,
Het kunsje verstaan.
O lieffelijk leven,
Dat haar is gegeven,
Die 't niet en versmaân,
Noch wenschen te ontgaan.
2.
Of zyt gy dan steenen,
Gy die na uw meenen
De liefde braveert;
Zo zyt gy geen menschen,
Wat zoets kont gy wenschen,
Wanneer gy ontbeert
't Geen't menschdom vermeert.
3.
Laat noit die gedachten,
Uw zinnen verkrachten;
Gaat offert de Min.
Vereert hem uw gaven,
Wat heerlyker haven,
Maakt gy een begin,
Brengt hy u niet in.
4.
Een haven van weelden,
Als ge u kunt verbeelden,
Van liefde, van vrê,
Van dagen, en nachten,
Die Minnaars verwachten,
Die uitzien in zee,
En wenschen die ree.