Skip to content
1695

Tweede deel der mengelzangen

Cornelis Sweerts

Verstant en Deugd,

1.

WAt baat de mensch een edle ziel, Die hem alleen te beurte viel, Als afgescheiden van de dieren, Die op en onder de aarde zwieren. Wanneer hy zo slechs heenen leeft, Dat hy geen deugd met kennis paart, En hier van d'aard Niet boven alle schepslen zweeft.

2.

Men kent geen andre God dan 't gelt. Men heeft zyn hoop op staat gestelt. Men brand in averechts begeeren. Men wenscht in wellust te verteeren, Of andre vlam, zo hemels zoet, In een verbeelde razerny. De sterv'ling vly Zich voor een wyl in 't schynbaar goed,

3.

De Dood ziet staat noch rijkdom aan. Waar hy sijn zeissen komt te slaan. De bloem des levens kan bezwijken, Al staatze in geur en kleur te prijken. Wie lager zweeft dan 't pluimgediert, Een lieflyke ogenblik op aard, Is niets van waard; Maar hooger uw begeerte stiert.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tweede deel der mengelzangen · Cornelis Sweerts · Poetry Cove