Aan de Bruid.
't Is nu, ô Bruid! geen weigrens tyt,
Help nu de Bruigom uit verlangen,
En wil hem minlyk en verblydt
In uwen schoot en arm ontfangen:
Of moet hy noch een zoetigheit
Belooven, eer hy mag genieten,
Dat zoet daar 't zoetste zoet in leidt,
Het geeven zal hem niet verdrieten.
Maar laat de Bruidegom de maat
In 't geeven houden, voor 't genooten,
Want al te veel is al te quaat,
Hy zal de gift genoeg vergrooten: