Aan de Speelnootjes.
Nu Speelgenooten van de Bruid,
Of Bruigom, nu in 't rond aan 't kusschen,
Raakt gy de Liefde meê ten buit,
Gy ziet hoe Min de brant kan blusschen.
ô Speelnoots van den Bruidegom!
Ik weet, gy zyt twee braave geesten,
Drinkt met de vinden eens rondom,
Zelfs van den minsten tot den meesten.
Drinkt nu het welzyn van dit Paar,
Gy Speelgenooten en gy Vrinden,
Wenscht hem een Spruitje binnen 't jaar,
En minnevrucht en vreugt te vinden.
Volgt ook in 't end de zoete min,
En wilt door minnen en door trouwen,
Tot wellust van uw ziel en zin,
De werelt meê dus helpen bouwen.
K. Zweerts.