Skip to content
1661

Stichtelijcke gesangen

Cornelis Maertsz.

Stem: De gulde Sonne schiet sijn stralen.

De vrede bindt met soete banden De felle wraeck, Sy jaeght de Moedwil uyt de Landen, En teelt vermaeck: En daer haer Flicker-glans eens soetlijck neder-schijnt, Daer spruyt de zegen uyt, en 't onheyl dat verdwijnt. 2. Ja, wanneer zy met Hemel-stralen De ziel door-schiet, Soo smelten al haer droeve qualen Geheel te niet: En als sy hare kracht ten vollen openbaert, Soo schenckt zy aen de Mensch de Hemel op der Aerd. 3. Dan moeten al des Sathans schichten, Die hy uyt schiet, Voor dit verstaelde Harnas swichten, En quetsen niet: Of dan de Doodt, of Hel, 't beschansste hert aentreft, Het staet gelijck een Rots, als haer de Zee verheft. 4. 't Is seecker, dat soo wie de waerde

Van dit Juweel Ter deghen kent, die sal op aerde Gheen ander deel, Met meerder lust, en vlijt, bejagen tot sijn lot, Als Vrede met hem self, met Menschen, en met Godt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijcke gesangen · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove