Skip to content
1661

Stichtelijcke gesangen

Cornelis Maertsz.

Stem: Te Mey als al de Vogelen. JOnathan klom de steylte op Van eenen Klip, op welckers top Dat sijn vyanden lagen, En heeft haer heyr // met sijn geweer, Kloeckmoedighlijck verslaghen. 2. En doe nu dese dapp'ren Heldt Den vyandt had ter neer geveldt, En moede was van 't slaghten, Soo is sijn Gheest // soo mat geweest,

Dat hy daght te versmachten. 3. Maer Godt, die op sijn kind'ren siet, Verliet Jonathan hier in niet: Want doe hy scheen verlaten, Verquickt de Heer // hem haestigh weer, Met leck're honighraten. 4. Dit is de stant der kind'ren Godts, Voor wien dat leyt een steyle Rots, Gelijck als voor Jonathan, Vraeght ghy na dees? het is het vlees, Een Schantse voor den Sathan. 5. De welcke sy met hoogen moet, Vertrappen moeten onder voet, Tot vlught van den besitter Wel wreet en sterck // 'twelck is een werck Voor haer seer suur en bitter. 6. Maer eer Godts volck hier in versmacht, Toont Godt sijn goedigheyt, en macht, Verquickt haer met genaden,

Honigh, en Wijn // sal voor haer sijn, Haer ziele te versaden. 7. Eerst gheeft hy vrughten van sijn Gheest, Doch namaels in het Hemels-Feest, Wordt d' Eeren-kroon gegeven, Voor haer bereydt // en wegh-geleydt, In 't eeuwigh saligh leven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijcke gesangen · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove