Skip to content
1661

Stichtelijcke gesangen

Cornelis Maertsz.

Stem: Florida soo het wesen mach. TErwijl de Son doock in haer nest, En trock de gouden soom van 't West' Oock met haer na beneden; En d'Hemel 't aengesicht verstelt, En Bergh, en Bosch, en Veldt, Met swart haer Huydt bekleeden. 2. En dat het Fackel-flicker-licht, Die schaed' aen 't Menschelijck gesicht Quam weder te vergoeden; En Paulus uyt des Heeren woordt, Elcks Ziele die hem hoord, Met Hemels spijs deed voeden.

3. Soo quam de doffe sluymeringh, Die eenes Jong'linghs breyn bevingh, En grendeld hem zijn oogen. Daer op hy rug'linghs neder viel, Door welcke val de ziel Het lichaem is onttoogen. 4. Soo heeft de Vorst van 't Duyster-rijck, Een donck're damp nu desgelijck, Van vele Godtloosheden, Een blindt-hock der onwetenheydt, De Wereldt omgespreydt, 't Welck 't alles deckt beneden. 5. Noch breeckt Godts woordt hier door met kracht Ghelijck een Keerse in der nacht. Wiens ziel voor hare stralen De Binnen-kameren ontsluyt, Die kipt de heyl-baen uyt, En loopt hem sonder dwalen. 6. Maer die hem stom, en blindt, en doof,

De sorgeloosheydt geeft een roof, Komt oock den Doodt-slaep over, Die hem stort in een sonden-val, Daer door hy worden sal, Een proy voor d' Helsche Roover.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijcke gesangen · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove