Skip to content
1661

Stichtelijcke gesangen

Cornelis Maertsz.

Stem: Nu singht, nu speelt, nu rydt, nu danst. TErwijl Elias 't worstel-perck Des Wereldts gingh betreden, 't Welck is bedonckert in een swerck Van vele tegenheden, Van hitten die het sweet uyt-parst, Van koude die de tanden knarst, Van ongemack, Pijn-bancken voor de Leden. 2. Soo heeft hy in sijn opperkleet, 't Ghevoelijck vleesch ghebakert

Tot schuylsel als de koude beet, Of hitte vuerigh blaeckerdt: Maer doe des Heeren Waghen quam, Bemantelt in een held're vlam, Diens snelle-jacht als Offer-kolen staeckerd, 3. En voerdt Godts knecht na boven heen, Om Goudt voor Slijck te ruylen, Worp hy dien Mantel na beneê., Daer in hy placht te schuylen: Hy nu dien Rock onnoodigh acht Die hem soo menigh Dagh en Nacht, Een Beuck'laer was voor suere stuere buylen. 4. De wijsheydt die de Wereldt leert Geeft wel haer vrucht in 't leven; Want mits de onspoet hier verneert, En ramp op ramp hier sweven, Soo is voorsichtigheydt wel nut, Om dat zy vele onheyl stut, En door beleyt veel jammer wordt verdreven.

5. Maer als de Doodt-vlam door haer brandt, Het leven doet af-senghen, Kan 't gauste Borgerlijck verstant Ons ghene vrucht toe brenghen: Maer de oprechte wijsheydt Godts Blijft eeuwigh staen ghelijck een Rots. Wel hem! die 't Aertsch met Hemels kan door-menghen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijcke gesangen · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove