Skip to content
1661

Stichtelijcke gesangen

Cornelis Maertsz.

Stem: Treurt edel Huys Nassouw. MIjn doode penne beeft, Nu zy dees' trecken geeft: Een volck met stale herten, En kop'ren ingewant, Derft d' Hemel selver terten Met een verheven handt.

2. Pilatus steldt haer veur, Dat na haer vrye keur Van twee een soude leven, Jesus, of Barrabas; Die 't leven ons doet geven, Of die een Moorder was. 3. Den eysch die daer op quam Was: Geeft ons Barrabam, En Jesus, de Springh-ader Van 't alderhooghste goedt, Die word' als een verrader Geverwt met eygen bloedt. 4. Maer die eens overweeght, Wat nu noch wordt gepleeght, Vindt al de selfde daden; Dit leven komt te sien, Het goede, en het quade, Te volgen een van dien. 5. Maer 't volck door schijn verleydt

Verkiest in dartelheydt De ongebondenheden, Maer door soo menigh ziel, Met Helsche pijn door-sneden In Sathans klauwen viel. 6. En laet de waerde deucht, De wegh tot 's Hemels vreucht; O sottelijck verkiesen! O self gesochte druck! Om schuym-lust te verliesen, 't Bestendige geluck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijcke gesangen · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove