Stem: Laura sat laest aen een Beeck.
DAvid die nu had verstaen
Van des Nabals haestigh sterven,
Dachte strack van stonden aen:
Nu sal ick het best verwerven,
Van al Nabals rijcke erven,
Dat is sijnen wijsen Vrou:
Daer wil ick door mijn Booden
Abigael laten nooden,
Tot mijn gade in de Trou.
2. Hier op geeft hy sijn bevel,
Aen de dienaers van de Koningh,
En sy reysen ras, en snel,
By de Vrou in hare wooningh,
En met een beleefde tooningh,
Seggen sy dit voor haer uyt:
Weest gegroet, ghy wijse Vrouwe:
David die versoeckt in trouwe,
V te hebben tot sijn Bruydt.
3. Hier op sijne op haer wangh,
Roode pleckjes voort-gebroocken,
Evenwel ten duurd niet langh
Of sy heeft haer mondt ontloocken,
En in vreughden uyt-gesproocken:
Ick ben tot dees saeck bereyt.
Daer mee reysden sy te samen,
Tot dat sy by David quamen,
Daer hy hare komst verbeydt.
4. Daer wordt dese wijse Vrou,
Met de Vorst gepaert in dughden,
En het gantsche landt wort nou
Wacker, en sprong op van vreughde:
Yder een hem seer verheugde,
Om dat Abigail niet meer,
Sal een stuuren kop verdragen,
Maer een wijsen Vorst behagen,
Siet, dus seltsaem wreckt de Heer.