Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stemme: Ach droom hoe quelt ghy mijn gedachten? WAt is ieught, en't leflijck bloosen Van haren verw? 't zin meerder niet als Roosen Die wel schoon, staen ten toon, Cierelijck te proncken, Root als bloodt // wonder soet // ende doet Het gesicht van yder daer op loncken: Maer als 't onweer daer opblaest, Dan is al haer schoonheydt haest,

Geheel te niet, als ware het versoncken. 2. Even alsoo zijn de schoonheden: Een moy aenschijn, het ciersel van de leden, Dat nu staet // tot cieraet, Als een Son te schijnen, Kloec en hel // eenen swel // terstont fel, Al de schoonheydt veerdigh doen verdwijnen: 't Blomtien dat soo aerdigh tierd, Is dan in der haest ontcierd, Men siet het sonder schoonheyt treurigh quijnen. 3. Sulcken les kan ick heden lesen In mijn aensicht, en in mijn eygen wesen: Want als ick // my bekick, 'k Sie dan mijn wanghen, Noch onlangh // glad en blanck, nu vol stanck, Ende vol van buylen etter hangen:

Soo dat als men my besiet, Ick gelijck my selven niet: Maer 't schijnt, ik heb een ander hooft ontfangen. 4. Druck dit in 't hert, ghy jonge lieden, En leert hier door, de trots, en hoogh-moet moet vlieden Draeght geen roem // op een bloem Teerder als de Roosen, V aenschijn // kan haest zijn // gelijck mijn, Als een bloemtjen dat nu is bevroosen 's Werelts schoon, en't jeughlijck moy, Dat kan even als het hoy, Sijn groen verliesen, in seer korte poosen. Den 25. Iannarius 1671.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het singende nachtegaeltje · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove