Stem: Seght mijn schoon Godinne. VRaeghje wie het meeste goedt Aen het Landt, en Steden doet? Sonder lang beraden Segh ick, dat een Meesters handt,
Aen de Steden, en het Landt, Doet de-nutste daden. 2. Daer en wordt geen mensch verschoont, Rijck, noch arm, noch waer hy woont, In de Stadt, of dorpen, Of hy wordt licht kranck, en swack, En is pijn, en ongemack Stadigh onderworpen. 3. Als haer dan een sieckt verheft, Als haer pijn, en lijden treft, Door de gantsche leden, Wat baet dan des Huys-mans Vee? Wat baet dan de grijse Zee? Wat baet dan de Steden? 4. Dan sal al des koop-mans goedt, En sijn rijcken overvloedt,
Hem niet heylsam wesen: Dan ist met den Krijghs-man uyt, Spiets, noch Sabel, roof noch buyt, Can hem niet genesen. 5. Maer de Heere heeft het kruyt, Dat hier uyt der aerde spruyt, Gemaeckt een geneester Van veel lijden, en ellent, En maeckt hare kracht bekent Aen een schrander meester. 6. Die dan stelt sijn kuur te werck, Daer voor dat hy menigh sterck, En gesont doet maken, De dus door des meesters handt, Blijven in een goede stant, Al des wereldts saken.
7. Maer soud' ick nu singen uyt, Wat door Salf, door Smeer, en kruyt, Wy al voordeel krijgen, Ick soud singen alsoo langh, Dat ick self word' sieck en bangh, Daerom wil ick swijgen.
Cookies on Poetry Cove