Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stem: Ick quam in een Boomgaerdetjen. MEn siet de Min, en haren dwangh, In Iacob in haer kracht, Een dienst van veerthien jaren langh, Wort by hem kort geacht, Alleenelijck om dat hy tot sijn loone Den minnelijcken Rachel wacht. 2. Als niemandt hem onthouden dorst Ontrent het open velt, Wt oorsaeck dat de koude vorst Daer bits, en vinnich knelt,

Brant hy van liefde, ende wordet nimmer Ia sijn verhert gedult ontstelt. 3. Als oock de Son door heeten brant De nacht uyt 't velt verjaeght, En door sijn vlam doet spleten 't landt, Hy 't altemael verdraght: Noch ys, noch vyer en kond hem nauliks krenken Door suyv're liefde tot die maeght. 4. Wie is hy, die niet loven sal Dees Minnaer, en Vriendin: Geluckigh zijn so boven al, Die dus uyt reyne min Te samen voegen, herten ende handen: Ick wensch geen ander Huys-gesin.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het singende nachtegaeltje · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove