Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stem: Maximilianus de Bossouw. WIe wel bemerckt de ordeningh Van al der menschen wercken,

Die sal een soet en seltsaem dingh, In dat gesicht bemercken, Te weten hoe den een, en d'aer Te samen spannen met malkaer, De wereldt te verstercken. 2. Niemandt die 't al uytvoeren can, Dat wel gedaen moet wesen, Nu vaten wy't te samen an, En alsoo wordt door desen, Het Landt met al sijn rijcke Steen: Ia heel de Wereldt in 't gemeen, Behouden in haer wesen. 3. Dus wordt de werelt seer bequaem, Van hoogh-geleerde Mannen, Geleken by soo een lichaem, Wiens leden t'samen spannen,

Om elck te doen soo veel het can, Waer door dat oock het onheyl dan Verjaeght wordt, en verbannen. 4. Het ooge licht de voeten voor De voet die draeght de handen: Het herte luystert door het oor, De buyck leeft door de tanden, En alsoo voort met al de rest. Soo is 't oock in't gemeene best, Van Steden, en van landen. 5. Een yder blijf in sijn gelit, En doe sijn eygen saecken, Soo elck dit doet, soo sal oock dit, Des wereldts welstant maken: En't Landt in sulck accoort gestelt, Is niet te winnen door ghewelt:

Want 't harnast alle saken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het singende nachtegaeltje · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove