Stem: Doe ic lest wandeld[e] over de Helder DAer zijn geen saucen die soeter doen smaken Als doet den honger, die 't alles maeckt soet: Daer is geen suycker, die 't drinken doet maken Soo soet, en liflijck, als dorste wel doet. Oock kan om schatten, den machtigsten Vorst, Niet koopen honger, noch soeten dorst Want dese beyde zijn meerder in weert, Als al de schatten hier op der eerdt. 2. Yemandt verleckert op soete lusten, Schud vry sijn bedde van pluymen wel sacht, Nochtans sal hy niet vrediger rusten, Als eenen Boer, slapend' op 't stroo by nacht.
Men kan om schatten, noch groote rijckdom, Geen slaep becomen in eygendom, Noch rusie koopen: ja 't is altemet, Dat rijckdom selver den slaep belet. 3. En ook een mantel die rammelt van Goude En blinckt gelijcken de mane nu vol, Beschut niet meerder voor bijtende koude, Als slechte kleeren, van Schapen haer wol. En oock de huysen aen d' Hemelen hoogh, Decken niet beter, noch schuylen droogh, Als eenen stulpjen, of Boere Hoy-schuur, Het hout is mermer, als steenen muur. 4. Ook smaeckt het drincken uyt gouden vaten Niet soeter, als uyt eenen pot van aerdt: Sy smake de min in hoogere staten Niet soeter, dan offer een Huys-man paerd:
En groote kassen, vol silver gestoud, Zijn niet van nooden tot onderhoud. Een mensch sal leven van 't gene hem voedt, Maer noyt sijn dage van overvloedt. 5. Daerom soo zijn het verdwalende menschen Die altijdt woelen om rijckdom met smert. Ick wil betrachten, en meerder niet wenschen, Als noodtdroft, ende genoegen in 't hert. Want ick en brochte ter wereldt gans niet, Niemant in't sterven behouter yet. Derhalven niemandt die meerder en heeft, Als dat alleenlijck, daer hy van leeft.
Cookies on Poetry Cove