Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stem: Wel op, wel op, ick ga ter jacht: KEerom, keerom, o wereldts Kint: Die de sonden seer bemint:

Ghy gaet dwalen Buyten palen Buyten 't spoor, en buyten 't padt, Dat ingaet in des Hemels, Stadt: 2. 't Geselschap dat u hier toe-lacht, Dat wordt in de Hel verwacht, En 't vermaken, Dat sy smaken, Sal haer op-breecken seer suur, Hier namaels in het Helsche vuur. 3. Wijckt dan af van den boosen hoop En kiest ghy een ander loop, Eer sy hooren Godes cooren, Die opvaren doen vergramt, Als eenen vuur seer brandigh vlamt.

4. Valt dan oock met een yder aen, Om u sonden te verslaen, Heel te mortel, Dat den wortel Wt u hert magh zijn geroyt, En die vyanden heel verstroyt. 5. Die door dick, en door dun soo heen Heeft een vuylen wegh gereen, En tot boven Is bestoven Laet dien wegh alleen niet naer Maer maeckt hem oock van smeten klaer. 6. Soo zijn door sonden meenigh smet, Leelijck aen de ziel geset: Wilje wesen Reyn van desen,

Veeght dan al de smetten af, Die oyt de sond' u ziele gaf. 7. Docht t' wijlwe door dit sterck fenijn, Selver sonder krachten zijn, Moet je klagen, Ende vragen, Waer is sulcken wijsen geest, Die my van dit gebreck geneest? 8. Dan sulje hooren eenen stem, Tot u roepen, (dat van hem, Die de smerten Vwer herten Kan omkeeren in genucht) Komt tot my al die droevigh sucht

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het singende nachtegaeltje · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove