Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stem: Te may als al de vogelen singen. HEt is een wonder om aen te mercken, Hoe vele, en hoe verscheyden wercken De menschen wel aenvaten: Een yder die voeght hem tot het sijn, In hoog, en lage staten, 2. Wanneer als wy de landen doorloopen, Wat siene wy al menschen met hoopen, In vaerten, en op wegen, Die sommige loopen met ons heen, And're komen ons tegen. 3. Dat ick eens op de maen mochte klimmen, Wanneer als hy op rijst in de kimmen,

En gaen met hem om hoogen, Hoe frap soud' ick dit wereldts gewoel Aenschouwen met mijn oogen? 4. Maer holla neen, ick heb my versonnen, Wanneer ick dus was rondom geronnen Soud' ick niet ander seggen Als, 'k heb een krimmelende Mieren-hoop Vol van mieren sien leggen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.