Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stem: Florida, soo het wesen magh.

DOe eertijdts Iohannes vernam Dat menigh tot sijn Doopsel quam Met Phariseus gebreecken, En dat hy sagh, oock meenigh een 't Welck was een Saduceen, Begon hy dus te spreecken: 2. Ghy boose Adderen geslacht, Wie heeft de bootschap u gebracht, Om Godes toorn t' ontvluchten? Indien ghy soeckt na Godts genaet, Soo toont ons metter daet Nu boetveerdige vruchten. 3. En seght niet: wy zijn soo een stam, Diens wortel is den Abraham, Dit magh geen reden strecken: Want soo ons Godt sijn macht liet sien,

Hy kond uyt soo een stien, Een Abraham kindt verwecken. 4. Ick segh u volgens mijn bescheyt, De Bijl is heden aen-geleyt, En veerdigh zijn de handen. Om uyt te roepen onverschoont Wat Boom geen vreucht en toont, Om die dan te verbranden. 5. Ick doope wel voor u gesicht, Een doop, doe ons tot boet verplicht? Maer die my na komt loopen, Die is veel weerdiger als ick, Die sal sijn volk gelick, Met sijn geest, en vyer doopen. 6. Sijn wan heeft hy in d' hant geree, Te suyveren sijn dersch daer mee:

En sal met sijne handen De Terw vergaren in de schuur, Maer sal het kaf in't vuur, In eeuwigheydt doen branden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het singende nachtegaeltje · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove