Skip to content
1671

Het singende nachtegaeltje

Cornelis Maertsz.

Stemme: Granida Princesse. ICk was schier geweken Van de rechte paden, En verdwaelt door enckel ongedult, En door nijdt ontsteken, Doe ick sagh de quaden Met rijckdom, in voorspoet opgevult: Sy schricken noyt in doodts gevaer een reys, Maer staen soo vast gelijck een sterck Paleys. 2. Geene ongelucken,

Noch geen harde slagen, Nu gemeen by 't menschelijck geslachte, Komen haer oyt drucken. Heeft dan Godt behagen In haer quaedt, en in haer trotse pracht? In wulpsche weeld' mest elck van haer hem vet, 't Wijl hy Godts volck met lasteren besmet. 3. Als oock sulck een harer Sijn lippen doet open, Is 't of sijn stem van boven comt of, Dan komter als water Het volck aen geloopen, En offert aen hem seer grooten lof, En prijst seer hoog, sijn hooghmoet, en sijn trots, En vloeckt met een de lieve kind'ren Godts. 4. Siet dat is ter degen

't Fatsoen af geschildert, Ende haren aert gecontarfeyt: Maer ick daer en tegen, En ben noyt verwildert, En heb na Godts Wet mijn koers geleydt, Maer wordt geplaeght, alwaer ick my begeef: Is 't dan vergeefs, dat ick onstraflijck leef? 5. Siet in sulcke reden Woud' ick schier uytvaren, En had oock by na haer seer genoemt: Maer dan had ick heden Godts volck die oyt waren, En nu zijn behouden, heel verdomt. Ick dachte oock: wel waer comt dit van daen? En kond' dees saeck ten degen niet verstaen. 6. Tot dat ick gingh treden

Op het alderleste, In Godes Huys, en in sijn Heylighdom, Daer vondt ick de reden, Waerom sy soo meste Sadt en vet: de reden is, daerom, Godt heftse hoogh, eer heyse neder-stort, Op dat haer val alsoo te grooter wordt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het singende nachtegaeltje · Cornelis Maertsz. · Poetry Cove